24/03/2017

vruchtwisseling

vruchtwisseling

 

De gewassen op het veld nemen voedingsstoffen op uit de bodem en bouwen die in hun plantendelen in. Ieder gewas maakt op een andere manier gebruik van de voedingsstoffen in de bodem. Dus ook als we de grond bemesten, is het nuttig om gewassen af te wisselen. Na een teelt van kolen zit er bijvoorbeeld veel minder stikstof in bodem en na pompoenen zal de voorraad fosfor wat geminderd zijn. Sommige gewassen hebben een breder of dieper wortelgestel en kunnen dus op een andere plaats in de bodem voedingsstoffen opnemen. Via hun wortelgroei kunnen planten ook een positieve of negatieve invloed hebben op de structuur van de grond. De ene soort zal meer kluiten of wortelgangen achterlaten en dus meer of minder uitwisseling van lucht in de bodem toelaten.


Om de bodem te laten ‘rusten’ is het van belang om regelmatig groenbemesters in te zaaien. Zo kan er extra organische stof opgebouwd worden in de bodem als reserve aan voedingsstoffen voor de gewassen erna. Vlinderbloemigen kunnen ook extra stikstof vastleggen in de bodem.


Het Polderveld is opgedeeld in zes percelen. Op elk perceel staat ieder jaar een andere groep groenten om de bodem niet uit te putten. Zo groeien bijvoorbeeld de pompoenen pas na zes jaar terug op dezelfde plek. Op een van de zes percelen groeit ieder jaar een mengeling van groenbemesters en kan de bodum tot rust komen. De belangrijkste reden om aan vruchtwisseling te doen, is om ziekten en plagen te voorkomen. Sommige ziekteverwekkende schimmels, aaltjes, virussen of bacteriën kunnen zich niet goed verplaatsen in de bodem en kan je dus het best letterlijk uit de weg gaan. Als een aaltje (miniscule wormpjes) in de bodem zit die alleen slaplanten aantast, dan zal die zeer moeilijk kunnen overleven en zich voortplanten als het zes jaar duurt voor er terug sla op hetzelfde stukje grond staat. We proberen dus de levenscyclus van de ziekteverwekkers te doorbreken.