24/03/2017

bodem

bodem

Iedere plant op het Polderveld staat met zijn voeten in de aarde. Ieder plant haalt dus met zijn wortels voedingsstoffen uit de bodem. Een goed onderhouden, natuurlijke bodem met een rijk bodemleven vormt dan ook de basis voor een duurzame vorm van landbouw. Biologische landbouw voedt niet rechtstreeks de plant, maar voedt de bodem via natuurlijke vormen van bemesting.


Planten kunnen alleen voedingsstoffen opnemen die in water opgelost zijn en onder minerale vorm voorkomen. Een boer die chemische kunstmeststoffen gebruikt, brengt rechtstreeks voor de plant opneembare mineralen op zijn veld. De gewassen groeien snel, maar als het veel regent, dan kunnen deze mineralen ook makkelijk uitspoelen naar het grondwater en zo beken en ons drinkwater vervuilen. In het nieuws hoor je soms dat de waterlopen in Vlaanderen nog altijd te hoge nitraatwaarden hebben. De landbouw blijft hier de grootste oorzaak van.

In een natuurlijke bodem zit veel organisch materiaal: afgestorven plantenresten (denk maar aan humus uit een bos), maar ook een massa aan bacteriën, schimmels, wormen en insecten. Al het bodemleven zet dode planten en dieren om in minerale voedingsstoffen die de wortels van de plant kunnen opnemen. Dit proces gebeurt geleidelijk aan en valt in de koude wintermaanden bijna volledig stil. Dit is ook de periode dat er weinig plantengroei is, en dat er door de overvloedige regen een groot risico is dat opgeloste mineralen uitspoelen naar het grondwater en dus verloren gaan. Het organisch materiaal in de bodem (de ‘humus’) kan niet wegspoelen en vormt dus een reserve aan voedingsstoffen voor de planten tijdens het volgende groeiseizoen.

Om er voor te zorgen dat het geheel van bacteriën, schimmels, springstaarten, regenwormen en andere bodemorganismen hun werk kunnen doen, moeten we zorgen dat er genoeg voedsel is voor al dit bodemleven. Het is dus belangrijk om genoeg organisch materiaal (oogstresten, compost of stalmest) op het veld te brengen, en om genoeg zuurstof in de bodem te houden. Het bodemleven moet namelijk kunnen ademen en heeft dus zuurstof nodig. Door de bodem los te maken, brengen we zuurstof in de bodem. Als de grond aan de oppervlakte té los is, bestaat er gevaar dat dit bij de eerste regenbui een pap wordt, die daarna hard wordt als een korst en geen zuurstof meer doorlaat. Boeren noemen dat verslemping. Het is ook goed opletten met grote machines op het veld. De zware banden drukken de bodem samen en duwen alle kleine gangen en poriën dicht. Zo kan het water na een regenbui niet meer in de grond sijpelen en krijgt het bodemleven geen zuurstof meer. De omzetting van organisch materiaal naar mineralen valt dan stil en de wortels van de gewassen kunnen niet meer optimaal groeien.


Poldergrond bestaat vooral uit klei afgezet door de zee. Iedere grond heeft zijn eigen kenmerken, zijn voordelen en nadelen. Klei houdt goed water vast, waardoor de gewassen minder last hebben van droogte. Kleigrond houdt ook beter voedingsstoffen vast die aan de kleine, negatief geladen kleideeltjes blijven hangen. Een nadeel van klei is dat de bodem minder snel opwarmt en opdroogt na de winter en dat de bodem dus moeilijker te bewerken is.